
In die zelfgebouwde schuilhut onder de fruitbomen in onze tuin zaten mijn grootouders en mijn ooms en tantes (laatstgenoemden waren toen nog tieners) in het pikkedonker naar het geluid van oprukkende gevechtsvoertuigen te luisteren.
Ver buiten ons stadje werd er af en toe geschoten met zwaar geschut.
Mijn vader vertelde er later wel eens over.
Dat geluid.
Het was net als met onweer. Zolang het alleen nog maar in de verte rommelde was er niets aan de hand. Maar o wee als het dichterbij kwam.
Je wist natuurlijk nooit waar de bliksem zou inslaan.
En als er oorlog is, dan kun je ook nooit zeker weten of jouw huis wel gespaard wordt.
Zelfs de geallieerden konden zich immers vergissen!
Dat was in Assen al eens gebleken toen een Engels vliegtuig, midden in de bezettingstijd, en ook nog op klaarlichte dag, zomaar bommen liet vallen op huizen waarin gewone burgers woonden. Er lagen ontzielde en verminkte lichamen onder het puin.
Mijn vader vertelde na de oorlog ook wel eens over die zelfgebouwde schuilhut onder de fruitbomen. En zodoende weet ik dat hij er (als de al getrouwde, en al zelfstandig wonende zoon van opa en opoe) in eerste instantie alleen met zijn eigen familie in zat.
Dat wil dus zeggen: zonder mijn moeder en mij.
Zijn vrouw (mijn moeder dus) had namelijk weinig vertrouwen in de bouwkunsten van haar schoonfamilie. En zij vreesde daarnaast dat de geallieerden, als zij Assen zouden bevrijden, die schuilhut wel eens zouden kunnen aanzien voor een grote schuttersput van de moffen. Mijn moeder was een doordenkertje.
En ze had (volgens mij - achteraf) gelijk.
Want als de bevrijders er een paar handgranaten op hadden gegooid, of als ze er even stevig met een vlammenwerper overheen zouden zijn gegaan, dan zou de hele familie in die gammele bunker gegarandeerd in vlammen en rook zijn opgegaan.
Mijn moeder was er van overtuigd dat het veel veiliger voor ons was als wij ons in het keldertje onder ons huis zouden verschuilen.
En zij negeerde dan aanvankelijk ook de bevelen van opa, en zelfs ook die van haar man, om zo snel mogelijk, samen met mij, naar de schuilhut te komen.
Zij weigerde!
Een vrouw, die zich openlijk tegen de wil van haar man verzette. Dat was in die jaren nog een doodzonde in Drenthe.
Zo’n man was een loser, een watje en een lulletje rozenwater, hoewel men er die namen in die tijd nog niet aan gaf.
Men zei toen nog dat zo’n vrouw de broek aan had en/of dat zij haor op de koezen had.
Over zo‘n man werd meesmuilend gefluisterd dat hij ‘er bij in zat’.
(‘Zijn aanwezigheid in de echtelijke sponde werd slechts gedoogd’, zouden wij nu wellicht zeggen).
Mijn vader was een jongen van de vlakte.
Maar mijn moeder was geboren en opgegroeid in ons eigenzinnige ambtenaren-stadje en zij had, als dienstmeisje voor dag en nacht, zelfs al bijna een jaar lang bij een bemiddelde familie in Den Haag gediend.
Zij was dus al bijna een vrouw van de wereld!
Eigenlijk had ze heel graag in het Westen willen blijven.
Maar de oorlog dreef haar terug naar Assen, waar ze zich veiliger voelde bij haar eigen familie dan in die grote stad, in die nog voelbaar voortsudderende wereld van Couperus, waarin zij slechts de status had van een laag opgeleid, naïef, en steevast de noordelijke n inslikkend dienstertje uit het veraf gelegen en 'onder-ontwikkelde Drenthe'.
Mijn moeder was een bijzonder vrouwelijke vrouw.
Ze was zo echt en zo puur als alleen vrouwelijke vrouwen maar kunnen zijn.
Met een tienerhoofdje dat vaak boordevol zat met beelden en gedachten.
Zij was een vrouw die een diep verlangen naar romantiek en liefde in zich meedroeg.
En daar liep dan mijn vader naast.
Tja.
Zo mannelijk als mannelijke mannen maar kunnen zijn.
Romantiek was hem vreemd. En het begrip liefde kende hij, vanuit zijn gereformeerde jeugd, alleen maar als ‘de liefde van God’ die ‘heel erg mooi was - voor later - in de hemel’, maar waarvan je niet kon eten als je op de aarde moest zien te overleven als jongen van de vlakte, in een tijd van grote schaarste en van oorlog, onrecht en tomeloos geweld.
Man en vrouw schiep Hij hen.
En zij waren meteen al, in diepste wezen, totaal verschillend van elkaar.
In de Hof van Eden al.
En in die appeltuin in Assen, in het prille voorjaar van 1945, waren die essentiële verschillen tussen man en vrouw nog steeds niet verdwenen.
Bij lange na nog niet.
En nu, ruim zestig jaar later, is er op dat gebied ook nog maar weinig veranderd.
Ik ken hedendaagse jonge mannen bij de vleet die in diepste wezen slechts ‘gedresseerde mannetjes van de vlakte’ zijn. En ik ken jonge vrouwen bij bosjes die een hartverwarmend-beschaafde vrouwelijke vrouwelijkheid in zich meedragen.
De strijd tussen die twee varianten van Stoffelijk Zijn kan nog eeuwen voortduren dus.
Het is niet anders.
Hoewel... In de loop der eeuwen zijn er toch ook tussenvormen ontstaan die belangrijke aspecten van beide schepselen in zich zelf vertonen en/of verenigen.
Ik doel hier op ‘de vrouwelijke man’ en ‘de mannelijke vrouw’.
Zijn zij misschien de creaties die uiteindelijk (ooit eens - zeg maar, het hoeft niet nu meteen te gebeuren) mogen terugkeren naar de bronzuivere Hof van Eden?
Volgens de formule E = MC kwadraat. Oftewel: E = MV kwadraat?
|